Somewhere over the rainbow

2006

Somewhere over the rainbow

‘Somewhere over the Rainbow’ offers an unfiltered look at the idea of the “self”- or, more precisely, an awareness that the self may be impossible to fully grasp. Here, artist and writer Jan Rothuizen suggests that the closest we can come to understanding the self is through reflection.

The work consists of portraits Rothuizen collected from books, magazines, and newspapers. He selected these images because, in his view, they resemble him – not only as he is now, but also as he was in the past and as he might be in the future.

What emerges is a self seen through portraits, and a self-portrait without a fixed self. The work expresses a desire to record what is present through absence – something that cannot be clearly named or fully located. Rothuizen shows that this question of the self is always, implicitly, part of any act of representation.

Notities:

(1)
The age at which children (around two years old) learn to recognize themselves in a mirror coincides with the moment they become aware of the fact that there is a potentially visible world behind their back.
In identifying the mirror image of himself, the infant is already in a position to grasp the idea that the reflected space is just as virtual as the reflected self.
The chimpanzee is the only other animal for which uncontroversial evidence exists that it recognizes itself in its mirror image.

(2)
Een blinde scheepskok vertelt op televisie dat hij kijkt met zijn herinnering: alles wat hij nodig heeft om te koken staat om hem heen. Hij kijkt dus niet met zijn ogen, maar met zijn geheugen, omdat hij zich herinnert waar alles staat.
Misschien doe ik zelf niet veel anders als ik naar mezelf in de spiegel kijk. Ik kijk ook niet echt naar wie ik ben, maar naar een gezicht dat ik herken en waar ik eerder naar heb gekeken. Ik zie mijn ogen, neus en mond, maar ik herken mijn eigen gezicht al voordat ik het zie en er objectief naar kan kijken. Ik ben de medeplichtige van mijn gespiegelde zelf, te veel een deelnemer om er van een afstand naar te kunnen kijken.
De blinde scheepskok vertelde ook dat hij aan één oog helemaal blind was, en dat zijn andere oog het nog voor negen procent deed. Zijn netvliezen waren losgeraakt toen hij de angst uit zijn kop had willen schieten. Hij was zijn angst kwijt en, ondanks zijn handicap, blij om te leven.

(3)
Het gaat over hoe ik dacht dat ik was, hoe ik mezelf ergens in mijn hoofd een plek had gegeven. Hoe ik mezelf zag lopen door een stad die was opgebouwd uit herinneringen aan hoe dat was. Het is deze industrie, met de altijd doorlopende productielijn van mijn zijn, die herinneringen verzamelt, waarschijnlijkheden bundelt en zo een beeld produceert van wie ik ben.
Maar wat als de informatie, de herinneringen waarmee ik mezelf vorm, vals of onjuist blijken te zijn? Wat als alle herinneringen die ik heb gebaseerd zijn op foto’s van mensen die op mij lijken, maar mij niet zijn? Zou dat eng zijn, of juist niet? Is het misschien heel fijn om erachter te komen dat alles wat je van jezelf dacht, alles waarvan je dacht dat het bij je hoorde, te verliezen, zodat je opnieuw, schoon, kunt beginnen?

De etage waar je woont en net nog lag te slapen staat in brand. Je staat buiten en ziet hoe de steeds groter wordende vlammen je huis van binnenuit schoonlikken. Achter die muren waar jij je zo thuis kon voelen, draait nu alles brullend rond. Boven de vlammen, in de zwarte lucht, zie je hoe de warme lucht de kleinste vonkjes en brandende stukjes van je huis meeneemt. Je ziet ze geduldig omhoog draaien, als langs een onzichtbare wenteltrap. Je kijkt er heel rustig naar terwijl je buiten in een onderbroek staat en het lauwe bluswater langs je voeten voelt stromen.

Je haalt diep adem en zegt hardop tegen jezelf dat je nu alles kunt laten lopen, dat nu ook alles maar moet gaan, dat alles van je af kan vallen: al je frustraties, gedachten en verlangens waar je niets mee had, al die beloftes, verwachtingen en herinneringen die je had bedacht. Je laat ze allemaal gaan en ziet ze wegstromen in de goot, naar de afvoerputjes in de straat. Je ziet ze zweven boven je huis, in de lucht schommelend, wiegend weg.
Onder de stad, waar je ze niet meer kunt zien, of hoog in de lucht waar de lichten van de stad niet komen — daar waar we al die verlangens en beloftes hebben verloren — daar verliezen ze ook hun kracht, raken ze ontheemd van wie en wat ze waren en lossen ze op in iets dat was.
Er komt iemand met een deken op je af die hij om je heen wil slaan, maar je hoeft geen deken. Je hebt het niet koud.

(4)
Eerst schrok ik omdat ik dacht dat ze heel erg mooi was, maar dat was het niet.
Er was iets anders aan de hand met haar gezicht, maar wat dat precies was zag ik niet meteen. Actrice was ze, zei ze, maar ik kende haar niet. Ik was ervan overtuigd dat ik haar nooit eerder had gezien; ik wist zeker dat ik haar gezicht onthouden zou hebben… of niet?
Wat haar gezicht zo bijzonder maakte was dat het uit meerdere gezichten bestond. Als ik naar haar keek zag ik steeds iets anders. Haar ogen spraken op een manier die niets te maken had met haar mond of met hoe ze zich bewoog. Het was alsof er steeds te veel dingen tegelijk gebeurden om te verenigen in één enkel gezicht.
Ik moest denken aan dat plaatje van die man met die baard: als je daar goed naar keek zag je in plaats van zijn gezicht allemaal blote vrouwen, maar nooit zag je die man en die vrouwen samen. Zo was het ook met haar gezicht. En dan niet alleen een man of blote vrouwen, maar juist mensen die je kent, of dacht te kennen, herkent en ziet. Mensen die tegen je praten en waarop je reageert, waartegen je dingen wilt zeggen die je ter plekke verzint om nog langer te kunnen kijken, tot je weer iets ziet.

(5)
Het zal er wel mee te maken hebben gehad dat ik lang gewerkt had en moe was, en op een feest kwam waar iedereen al uren mee bezig was.
Het zal mijn blakende nuchterheid wel geweest zijn waardoor iedereen zich genoodzaakt voelde om te zeggen wie en hoe ik was.
Zo kreeg ik te horen dat ik veel aandacht nodig had maar weinig gaf, of: ‘als jij iets hebt, wil je liever het andere’, en: ‘jij bent ook altijd zo op zoek’. En als dieptepunt:
‘Jij bent eigenlijk zoals ik.’
Laat maar, dacht ik. Ik ga weg. Ik ga lekker alleen naar bed.

(6)
‘We lijken op elkaar, hè… vind je niet?’ zegt hij tegen haar als ze naast hem op de bank komt zitten.
Zij vindt van niet, maar zegt dat niet. In plaats daarvan zegt ze:
‘Oh… vind je dat?’
‘Ja… vind jij van niet dan?’
‘Dat zei ik niet. Het is gewoon een vergelijking die ik zelf nooit heb gemaakt, iets waar ik nooit op die manier over heb nagedacht.’

Ze had wel bedacht wat voor soort vorm, kleur of geur ze zou zijn, welke muziek ze was, aarde of lucht, en wat voor soort landschap in haar leefde. Maar de enige mensen waarmee ze zich vergeleken had waren romanfiguren en actrices met lange haren.
Een vergelijking maken met een echt mens, met iemand die ze persoonlijk kende of tegen wie ze op straat aan zou kunnen botsen — dat had ze eigenlijk nooit gedaan.
Ze moest denken aan haar poes die was opgegroeid tussen drie honden en daardoor in de veronderstelling bleef zelf ook een hond te zijn. Hij blafte, trok zijn pootje op voor een plas en als hij toevallig langs een spiegel liep, gromde hij naar zijn spiegelbeeld.
Als ze daarover nadenkt en naar de jongen kijkt die vindt dat ze op elkaar lijken, vraagt ze zich af of zij is als haar kater, of ook zij zich spiegelt aan dingen die ze niet is.

(7)
Wat voor soort boek zou mijn leven zijn, en als wat voor soort boek zou ik het willen verkopen? Moet er iets op de omslag staan, en wat dan? Een lege straat, een park met bomen, een man op een fiets?
Zou het een samenvatting moeten zijn door alleen de hoeken, komma’s en hobbels uit mijn leven aan elkaar te knopen? Of moet ik juist de dagen, weken en jaren beschrijven die ik ben vergeten, zonder dat ik weet waarom?
Een kleine foto van mezelf zou ik op de achterflap zetten, zo wazig dat iedereen zichzelf erin vindt. Ik zou adverteren met de tekst dat mijn leven eigenlijk van iemand anders is, inwisselbaar als iets dat je door kunt geven. Dat het leven dat ik heb niet van mij is, maar van de mensen die het lezen.

(9)
Soms lijkt het wel alsof de drijfveer voor alles wat je doet gaat over de afstand die je voelt tot jezelf en de wereld om je heen. Waarom praat je met mensen, wat wil je delen, waarom schrijf je, teken je, luister je naar muziek? Waarom doe je aardig — dat hoeft toch allemaal niet? Dat is toch eigenlijk helemaal nergens voor nodig?
Ben je niet de hele dag bezig die afstand te overbruggen omdat je mee wilt doen, omdat je een onderdeel wilt zijn van iets waarvan je denkt dat het het leven is?
Als je dan opgaat in de wereld om je heen hoef je niet meer na te denken; dan bén je het. Dan is het geen keuze meer en laat je je gewoon meevoeren in die stroom van alledaagse vanzelfsprekendheid.
Misschien omdat ik me slecht identificeer voel ik die afstand, dat gemis tot alles wat ik zie en voel. Bij liefde denk ik dat er ook een ander is, bij geluk denk ik dat het ook ongeluk zou kunnen zijn, en als ik mijn gezicht in de spiegel zie weet ik dat ik er anders uitzie dan ik eigenlijk ben.

Jan Rothuizen – Amsterdam, 2001

Dirk van Weelden schreef naar aanleding van dit werk een tekst voor FOAM: Foto Museum Amsterdam. https://janrothuizen.nl/about/press/#foam-magazine

Copy link